Scope 3 emissies berekenen: praktische handleiding

Scope 3 Emissies Berekenen: Praktische Handleiding voor Bedrijven

Bob Kroll
Bob Kroll 6 maart 2026

Bij het berekenen van de CO2-footprint van een organisatie is scope 3 bijna altijd de grootste en meest complexe categorie. Toch zien wij dat veel bedrijven scope 3 uitstellen of onderschatten, omdat ze niet weten waar ze moeten beginnen. In dit artikel leggen wij stap voor stap uit hoe u scope 3 emissies berekent volgens het GHG Protocol, welke data u nodig heeft en hoe u van een eerste schatting naar een betrouwbare berekening komt.

Wat zijn scope 3 emissies?

Het Greenhouse Gas (GHG) Protocol verdeelt broeikasgasemissies in drie scopes:

Scope 3 is voor de meeste bedrijven veruit de grootste categorie. Bij een productiebedrijf is scope 3 doorgaans 70-90% van de totale footprint. Bij een dienstverlenend bedrijf met weinig eigen emissies kan scope 3 zelfs meer dan 95% uitmaken. Dit maakt scope 3 niet alleen de grootste uitdaging, maar ook de grootste kans voor emissiereductie.

Scope 3 is relevant voor onder andere:

De 15 scope 3 categorieën volgens het GHG Protocol

Het GHG Protocol definieert 15 categorieën scope 3 emissies, verdeeld in upstream en downstream.

Upstream (categorieën 1-8)

  1. Ingekochte goederen en diensten: de productie van alles wat u inkoopt, van grondstoffen tot kantoorartikelen. Vaak de grootste categorie
  2. Kapitaalgoederen: de productie van machines, gebouwen en voertuigen die u aanschaft
  3. Brandstof- en energie-gerelateerde emissies (niet in scope 1 of 2): winning en transport van brandstoffen, transmissieverliezen in het elektriciteitsnet
  4. Transport en distributie (upstream): transport van ingekochte goederen naar uw locatie
  5. Afval gegenereerd in bedrijfsactiviteiten: verwerking van uw bedrijfsafval door derden
  6. Zakenreizen: vluchten, hotelovernachtingen, huurauto's
  7. Woon-werkverkeer van medewerkers: de dagelijkse reis van medewerkers naar kantoor
  8. Upstream geleasde activa: emissies van activa die u least (als niet in scope 1 of 2 opgenomen)

Downstream (categorieën 9-15)

  1. Transport en distributie (downstream): transport van uw producten naar de klant
  2. Verwerking van verkochte producten: verdere bewerking van uw halffabricaten door klanten
  3. Gebruik van verkochte producten: energie die nodig is om uw producten te gebruiken
  4. End-of-life verwerking: recycling, verbranding of storten van uw producten na gebruik
  5. Downstream geleasde activa: emissies van activa die u verhuurt
  6. Franchises: emissies van franchisenemers
  7. Investeringen: emissies gekoppeld aan uw financiële investeringen

Welke categorieën zijn meestal het grootst? Voor de meeste bedrijven zijn categorie 1 (ingekochte goederen), categorie 4 (transport upstream), categorie 6 (zakenreizen) en categorie 7 (woon-werkverkeer) de belangrijkste. Bij productiebedrijven kan categorie 11 (gebruik van verkochte producten) ook significant zijn.

Stap 1: Bepaal welke categorieën relevant zijn

U hoeft niet alle 15 categorieën even gedetailleerd te berekenen. Het GHG Protocol schrijft voor dat u een screening uitvoert om te bepalen welke categorieën materieel zijn. Vuistregels:

Voor de categorieën die minder dan 1-2% van uw totale footprint uitmaken, volstaat een grove schatting. Voor de materiële categorieën investeert u in nauwkeurigere data.

Stap 2: Data verzamelen

De dataverzameling is het meest tijdsintensieve onderdeel van scope 3. Er zijn drie methoden, van grof naar nauwkeurig:

Spend-based methode (niveau 1)

De eenvoudigste aanpak: vermenigvuldig uw inkoopuitgaven per categorie met een sectorgemiddelde emissiefactor (in kg CO2 per euro). Databronnen hiervoor zijn onder andere ADEME (Frankrijk), Exiobase en de DEFRA-tabellen (UK).

Voorbeeld: u geeft jaarlijks €500.000 uit aan verpakkingsmaterialen. De emissiefactor voor de verpakkingssector is 0,5 kg CO2/€. Uw scope 3-emissie voor deze categorie is dan 500.000 x 0,5 = 250.000 kg = 250 ton CO2.

De spend-based methode is goed als startpunt, maar weinig nauwkeurig. Prijsschommelingen beïnvloeden de uitkomst, en sectorgemiddelden houden geen rekening met de specifieke duurzaamheidsprestaties van uw leveranciers.

Activity-based methode (niveau 2)

Nauwkeuriger: gebruik fysieke activiteitsdata in plaats van financiële data. Denk aan kilogrammen ingekocht materiaal, kilometers transport, kilowatturen energieverbruik of aantal vluchten.

Voorbeeld: u koopt 100.000 kg staal in. De emissiefactor voor staalproductie is 1,85 kg CO2/kg. Uw emissie is 100.000 x 1,85 = 185.000 kg = 185 ton CO2.

Supplier-specific methode (niveau 3)

De meest nauwkeurige methode: gebruik de daadwerkelijke emissiedata van uw leveranciers. Dit vereist dat uw leveranciers hun eigen CO2-footprint berekenen en deze data met u delen. Dit is waar locatiespecifieke emissiedata van ketenpartners cruciaal wordt.

Welke data heeft u nodig?

De benodigde data verschilt per categorie:

Stap 3: Emissies berekenen

De basisformule voor het berekenen van emissies is simpel:

Emissie (kg CO2e) = Activiteitsdata x Emissiefactor

De kunst zit in het kiezen van de juiste emissiefactoren. Hiervoor zijn meerdere databases beschikbaar:

Let op: gebruik bij voorkeur locatiespecifieke emissiefactoren boven wereldgemiddelden. De emissiefactor voor elektriciteit in Nederland verschilt aanzienlijk van die in Noorwegen of Polen. Lees meer hierover in ons artikel over veranderingen in het GHG Protocol voor scope 2.

Rekenvoorbeeld categorie 7: woon-werkverkeer

Stel: u heeft 50 medewerkers. Uit een enquête blijkt:

Berekening:

Stap 4: Rapporteren en verbeteren

Na het berekenen van alle materiële scope 3-categorieën stelt u de rapportage op. Volgens het GHG Protocol rapporteert u:

Uw scope 3-rapportage vormt de basis voor:

Datakwaliteit verbeteren over tijd: in het eerste jaar is het normaal om grotendeels spend-based te werken. Elk jaar verschuift u naar nauwkeurigere methoden. In jaar 2-3 vraagt u activiteitsdata op bij uw top-20 leveranciers. In jaar 3-5 stimuleert u leveranciers om hun eigen footprint te berekenen en te delen.

Veelgemaakte fouten bij scope 3

In onze praktijk zien wij regelmatig dezelfde fouten terugkomen:

  1. Te veel categorieën uitsluiten: sommige bedrijven rapporteren alleen categorie 6 en 7 (zakenreizen en woon-werkverkeer) omdat die makkelijk te berekenen zijn. Maar categorie 1 (inkoop) is bijna altijd vele malen groter. Door de grote categorieën uit te sluiten mist u het grootste deel van uw footprint
  2. Alleen spend-based methode gebruiken: de spend-based methode is goed als startpunt, maar onvoldoende als langetermijnoplossing. Prijsinflatie verhoogt uw berekende emissies zonder dat er daadwerkelijk meer is uitgestoten. Werk toe naar activity-based berekeningen
  3. Verouderde of verkeerde emissiefactoren: emissiefactoren veranderen jaarlijks. Gebruik altijd de meest recente versie van DEFRA, ecoinvent of andere bronnen. En gebruik landenspecifieke factoren waar mogelijk
  4. Scope 3 niet koppelen aan reductiedoelen: een footprint zonder reductieplan is een rapportage-oefening. De waarde zit in het identificeren van reductiemaatregelen: leveranciers stimuleren, transport optimaliseren, circulaire inkoop
  5. Dubbeltellingen: wees alert op overlap tussen categorieën. Transport dat al in de inkoopprijs van een product zit (categorie 1) mag niet nogmaals in categorie 4 worden meegeteld

Hulp nodig bij uw CO2-footprint?

Kroll SR berekent scope 1-3 footprints volgens het GHG Protocol voor bedrijven in diverse sectoren. Van de eerste screening tot een volledige, audit-ready berekening die u kunt gebruiken voor SBTi-validatie en CSRD-rapportage.

Onze aanpak:

Meer weten over onze CO2-footprint & SBTi begeleiding? Of wilt u eerst uw ESG-verslag laten opstellen? Neem vrijblijvend contact op.

Wilt u meer weten? Neem contact op met Kroll SR.